|
Koreaanse
Krijgkunstfantasieën
Musa van Kim Sŏng-su,
Bichunmoo van Kim Yŏng-jun
en The Legend Of The Evil Lake van Yi Kwang-hun
Oost-Aziatische vechtfilms zijn een begrip geworden. Na
Crouching Tiger, Hidden Dragon zijn op magische kracht
vliegende krijgers een geaccepteerd onderdeel van het
cinematische idioom geworden. Bovennatuurlijke krachten
zijn geen flauwe deus ex machina, maar een integraal
onderdeel van het verhaal en een definiërende eigenschap
van de held. Het gros van dit soort
films komt uit Hong Kong, Taiwan en China. Japan, dat toch
ook een belangrijke bijdrage aan de weergave van geweld in
de huidige cinema heeft geleverd (denk bijvoorbeeld aan
The Seven Samurai in hun Western reïncarnatie als
The Magnificent Seven) heeft een veel aardsere variant
van de export krijgskunstfilm ontwikkeld met de realistisch
aandoende samuraidrama's die zich maar zeer zelden verlaten
op flagrante schendingen van de zwaartekracht.
Korea kent geen
krijgskunstfilmtraditie. Dit kan door sommigen betreurd
worden, maar Korea's claim to fame als het om film
gaat moet men toch echt zoeken in de hoek van het
melodrama. Sinds enige jaren, echter, wordt er hard gewerkt
om hier verandering in te brengen. Een nieuwe variant op de
Chinese of Japanse vechtfilm is altijd welkom, maar dat men
opeens en zonder filmhistorische basis martial arts
blockbusters probeert te produceren wekt toch wel enige
argwaan ten aanzien van de kwaliteit van het product.
Bichunmoo
(ook bekend als Dance with Sword) werd in 2000 op de
nietsvermoedende bioscoopganger losgelaten en deze werd
meteen verschalkt. Het werd één van de best bezochte films
van het jaar. Bichunmoo is de Koreaanse versie
van de Hong Kong zwaardvechtfilm en weet daar weinig tot
niets aan toe te voegen. Het is een kundig gemaakte film
met af en toe adembenemende effecten en opnames van het (overigens
Chinese) landschap. De historische achtergrond wordt
gevormd door de gewelddadige overgang van de Yuan naar de
Ming in China en van de Koryŏ naar de Chosŏn in Korea. En
dan is er nog iets met een boek waarin wordt geschreven
over de Dans van het Vliegende Zwaard en dat iedereen dan
ook in zijn bezit wil krijgen en de gedoemde liefde tussen
een Mongoolse Yuan prinses en een jonge vliegende
zwaardvechter van eenvoudige komaf. Wat de mannen in de
zwarte pakken en de bamboehoeden ermee te maken hebben,
wordt helaas nooit helemaal duidelijk. Het verhaal is
gebaseerd op een populaire stripserie, maar de nu eenmaal
beperkte lengte van een bioscoopfilm heeft een verminkte
plot en platte karakters opgeleverd. Dit wordt nog eens
verergerd door drastische montage-ingrepen die vier
essentiële plotelementen op de vloer van de montagekamer
hebben doen belanden.
Wat
blijft er dan over? Zoals gezegd, Bichunmoo ziet er
prima uit en veel gevlieg en magisch spektakel is
gegarandeerd. De casting is met uitzondering van Shin
Hyŏn-jun in de hoofdrol echter niet altijd even gelukkig.
Mooi popje Kim Hŭi-sŏn (Kim Hee-sun), die ten tijde van
deze film nog werd geroemd als Korea's mooiste vrouw, zou
nog een paar films nodig hebben om de critici ervan te
overtuigen dat ze wel degelijk kon acteren en Chŏng Chin-yŏng
lijkt zich in de rol van Chinese edelman nooit echt lekker
te voelen. Beroerd geacteerd, met andere woorden. Het heen
en weer vliegen van de mysterieuze hoofdpersoon gaat op een
gegeven moment ook ergerlijk worden, al is zijn lijdende
blik werkelijk onovertroffen (de oogschaduw helpt
natuurlijk wel).
Desalniettemin
geeft Bichunmoo de kijker het gevoel alsof er veel
meer in had gezeten, als de beroemde voorbeelden uit Hong
Kong maar niet zo slaafs waren nagevolgd. Er blijft nog
genoeg kijkwaardigs over en het is een dikke twee uur
prettig entertainment maar meer ook niet (maar nog altijd
een stuk beter dan Legend of Gingko uit hetzelfde
jaar). Deze film ligt terecht in de ramsjbakken bij de Free
Record Shop (naast Legend of Gingko) en die
winkels die de DVD in de filmhuisfilmschappen hebben staan
en voor bijna veertig euro verkopen zouden zich moeten
schamen.
Een soortgelijke
productie is pas weer in 2003 verschenen, te weten The
Legend Of The Evil Lake (oorspronkelijke titel Het
Duizend Jaren Meer). Dit maal wordt de historische
achtergrond gevormd door de aanloop naar de overgang van de
Shilla dynastie naar de Koryŏ dynastie in de late negende
eeuw. Ook deze film is geheel in China opgenomen en ziet er
wederom prachtig uit. De kostuums zijn vaak om van te
genieten, al gaat een ieder net te netjes en te correct
gekleed om realistisch over te komen. De effecten spetteren
van het scherm af, maar de massagevechten koem te vaak wat
houterig over.
Centraal
staat Aut'a, een boosaardig opperhoofd van een lokale stam
die door de stichter van Shilla verslagen werd en voor
eeuwig opgesloten is in een meer. Na duizend jaar, als
Shilla in grote politieke en maatschappelijke onrust
verkeert, komt hij vrij en gevoed door een onstilbare
honger naar wraak begint vol enthousiasme hij aan zijn missie om
Shilla te ontvolken. Tegenspelers zijn de loyale maar
politiek inepte generaal Piharang, de mooie koningin
Chindŏk (die er in de geschiedenisboekjes slecht vanaf komt,
maar de film laat zien dat dat niet terecht is), een
boeddhistische kluizenaar die van boomtop tot boomtop
vliegt en zijn bevallige dochter (als zij tenminste niet
door kwade geesten wordt bezeten).
The Legend of
The Evil Lake is leuk vermaak,
beter dan Bichunmoo,
maar overtuigt nog steeds niet helemaal als het Koreaanse
antwoord op Hong Kong. Qua production values is er
weinig meer te verbeteren, maar als er wat van de immense
creativiteit die andere Koreaanse films kenmerkt zou worden
losgelaten op dit genre, dan staat ons nog wat te wachten.
Tot nog toe lijkt het allemaal net te veel op films die we
al gezien hebben.
Het
zelfvertrouwen in de Koreaanse filmindustrie dat aanleiding
gaf tot het maken van Bichunmoo heeft ook tot betere
resultaten geleverd en wel in de vorm van Musa (De Krijger)
uit 2001. De film van ervaren regisseur Kim Sŏng-su (Beat,
There Is No Sun/City Of The Rising Sun) en met zijn vaste acteur Chŏng U-sŏng
(Jung Woo-sung uit Beat,
There Is No Sun/City Of The Rising Sun,
Phantom the Submarine,
Mutt Boy) in de hoofdrol is even spectaculair, zo
niet spectaculairder dan Bichunmoo en weet dat te
bereiken zonder oeverloos gevlieg en verbeten magische
blikken. Musa is losjes gebaseerd op historische
feiten en speelt zich in de dezelfde woelige
overgangsperiode tussen de Yuan en de Ming af. Een Koreaans
gezantschap gaat op weg naar het Ming hof om daar een
ernstige zaak te sussen (een Ming gezantschap is namelijk
vermoord in Korea), maar wordt onderweg geteisterd door
geboefte en een vastbesloten Mongoolse generaal.
De makers van
Musa hadden het geluk de Chinese actrice
Zhang Ziyi
uit Crouching Tiger, Hidden Dragon te hebben
vastgelegd voor het uitkomen van die film, waardoor ze
tegen een schijntje een enorm populaire internationale
publiekstrekker tot hun beschikking hadden. Haar rol van
Ming prinses op de vlucht voor de Mongolen is een heel
verschil met de krijgshaftige rol in Ang Lee's film, maar
de moeite van het zien waard. Het acteren in Musa is
overigens over het geheel genomen gedegen. An Sŏng-gi
speelt weer eens een memorabele rol, ditmaal als oude
vechtjas,
en Chŏng U-sŏng ziet er weliswaar niet uit met een snor,
maar de rol van de broedende held-tegen-wil-en-dank is hem op het lijf
geschreven.
De
landschapsopnames zijn indrukwekkend mooi. De
gevechtsscènes zijn hard, realistisch en zeer knap
opgenomen. In combinatie met de verhaallijn die nergens de
makkelijke weg neemt, levert dit een donkere en
onvoorspelbare spektakel- en avonturenfilm op. Het manco
van veel duur geproduceerde films is vaak dat het verhaal
flinterdun is omdat de producers het risico van een flop
uit de weg willen gaan, maar Musa geeft de kijker
geen zekerheden. Iedereen kan op elk moment doodgaan,
ongeacht zijn of haar star power, en de karakters
veranderen gedurende de film. De lengte van de film en de
niet altijd even interessante montage worden hierdoor voor
een groot deel goed gemaakt. Helaas is het script niet
altijd even helder, waardoor de kijker af en toe de draad
kan kwijtraken.
Musa
is
de moeite van het zien meer dan waard door de prachtige
beelden en de ongeëvenaarde actiescènes waar Kim Sŏng-su
al eerder heeft laten zien uit te blinken. De film gaat af en toe met horten en stoten
vooruit, maar komt gelukkig nergens tot stilstand. Anders
dan de in essentie romantische zwaardvechtdrama's
Bichunmoo en The Legend of The Evil Lake is Musa
donker, realistisch en grimmig van toon en dwingen de
gevechten niet zozeer bewondering voor het vertoonde
technische kunnen af, alswel een gevoel van fortuin dat je
het niet van al te dichtbij meemaakt.

|