Home
Filmbesprekingen
Boekbesprekingen
Agenda
Links

 

 

 

Een Duikboot Vol Bommen
Phantom the Submarine van Min Pyŏng-ch'ŏn

  

Spanningen tussen de kapitein en zijn bemanningsleden op een nucleaire onderzeeboot zijn een dankbaar thema. Er hangt niet alleen veel af van wie de zeggenschap over de kernraketten weet te bemachtigen, maar de plaats van handeling is ook beperkt tot de buik van de duikboot zelf. Bovendien heeft al het contact met de buitenwereld automatisch iets mysterieus en spannends. Films als The Hunt for Red October en Crimson Tide hebben hier dankbaar gebruik van weten te maken. Phantom the Submarine gaat niet alleen over de Koreaanse versie van een kernonderzeeër, maar is zelf een Koreaanse versie van bovenstaande twee films met een scheutje Nikita.

Phantom the Submarine heeft een cast met aantrekkingskracht. Charismakanonnen Ch’oe Min-su (Choi Min-su; Moraeshigye, Seoul 72 Hours) en Chŏng Usŏng (Chung Woosung; Beat, Musa) spelen respectievelijk de eerste officier en de wapenofficier op de ultrageheime Phantom, geheim wapen van de Koreaanse marine. Zoals in het begin al meteen duidelijk wordt, bestaat geen van de bemanningsleden van de Phantom officieel meer. Zo geheim is hij namelijk. Desalniettemin zijn die dekselse Amerikanen en hun handlangers de Japanners blijkbaar toch achter het bestaan ervan gekomen. Dan vaart de Phantom uit op een geheime missie die alleen de kapitein kent…

De plotverwikkelingen zijn van meet af aan onwaarschijnlijk en het aantal toevalligheden tart de verbeelding. Bovendien wordt de kijker getrakteerd op het ene cliché na het andere over zeesoldaten en duikbootbemanningen. Visueel ziet Phantom er goed uit, maar het ontbreekt de film aan alles wat bijvoorbeeld The Hunt for Red October een spannende film maakte, namelijk een script dat meer dan gefronste wenkbrauwen oproept en goede acteerprestaties. Aan het talent van de heren Ch’oe en Chŏng ligt dat overigens niet. Zij hebben in andere films al laten zien aardig wat in hun mars te hebben. Aan het stupide scenario en de slechte regie ligt het des te meer.

Er kleeft een voordeel aan de onwaarschijnlijke wendingen uit het script dat overigens raar genoeg van Pong Chun-ho (de briljante regisseur en scenarist (!) van Barking Dogs Never Bite en Memories of Murder) is: deze vertellen een heleboel over de populaire verbeelding van Koreanen met betrekking tot Amerika en Japan. Zonder het plot nu meteen te willen verraden, kan ik wel zeggen dat in lange series geschreven driestuiverromannetjes over toekomstige oorlogen van Korea met Amerika en Japan het zeker onder jongeren goed doen. De reden hiervoor is waarschijnlijk een mengeling van frustraties ten opzichte van het recente verleden (kolonisatie door Japan aan het begin van de 20ste eeuw; opdeling van het land door Amerika) en de voor een klein land onvermijdelijke afgunst ten opzichte van (veel) grotere buurlanden. Dit laatste is iets dat Nederlanders ook niet vreemd is. Hoe het ook zij, Phantom laat zich in dit opzicht helemaal gaan. Men moet dan ook niet verbaasd zijn als de beslissende confrontatie tussen Ch’oe Min-su en Chŏng Usŏng zich tussen sissende buizen afspeelt, terwijl ze lange monologen over de geschiedenis van Korea houden. Het opvallende is overigens dat de Engelse ondertiteling het heeft over ‘Amerikanen’ en ‘Japanners’, terwijl het gesproken Koreaans de veel minder flatteuze termen ‘grootneuzen’ en ‘kortpoten’ bezigt.

Al met al een film die slechts gezien dient te worden door fanatieke fans van duikbootfilms, van Chŏng Usŏng in weer een rol als tragische held, door Amerika- dan wel Japanhaters of natuurlijk door mensen die gefascineerd zijn hoe de hedendaagse populaire beleving van de recente geschiedenis zich vertaald naar het witte doek. Voor hen allemaal geldt wel ze ook over voldoende zitvlees dienen te beschikken.